| |
Juli. Vakantiemaand. Geen files, of het zou in de weekenden moeten
zijn, waarin vakantiegangers gaan en komen. Nou, laat ze maar. Ik
blijf lekker thuis. Even een boodschapje doen. Sigaren halen. Op de
fiets dit keer, mijn Bella
blijft slaperig op de oprit staan, naast haar kleine nichtje, de
Punto
van mijn vrouw. Tevreden fiets ik door mijn woonplaats en zie
dingen, die ik door de autoruit nooit heb mogen aanschouwen.
Flanerende vakantiegangers en schaars geklede, winkelende dames. Nog
net op tijd weet ik een inparkerende Peugeot
106 te ontwijken, met daarin een dame op leeftijd die wanhopig
probeert de confrontatie met de stoeprand te vermijden. Een schurend
geluid van velg tegen beton vertelt mij dat het haar niet is gelukt.
Ik glimlach haar bemoedigend toe en fiets door. Niet op vakantie
gaan heeft zo zijn voordelen. Even verderop zie ik een bloedmooie
Alfa 166 met een zwierige beweging achteruit inparkeren. “Zo, die
kan het”, denk ik en fiets wat door om de 166 van dichtbij te zien.
Het is mijn favoriete kleur, zilver metallic, zo een heb ik zelf
ook. Dichterbij gekomen zie ik dat de auto ook voorzien is van
dezelfde 17 inch velgen als de mijne. Een man met smaak dus. Een
vlotte jonge vent stapt uit. Mijn oudste zoon. “Heej paps, gaan we
sportief doen? Ik was door mijn sigaretten heen en ik dacht: ik leen
even je auto.” Ik vind alles best, mijn humeur is in uitstekende
conditie.
De sigarenboer was trouwens op vakantie.
|
|